JE BENT ECHT EEN SPIN IN HET WEB

Secretarius
Augustus 2026

De organisatie van de jeugdzorg is de laatste tien jaar enorm veranderd. Wat betekent dat voor de werkzaamheden van bestuurssecretarissen in deze sector? ‘Het veld is veel ingewikkelder geworden’, zegt bestuurssecretaris Titia Wagenaar. ‘Maar dat maakt het werk ook leuker.’

‘Vroeger had je met één zorgkantoor te maken en sprak je elkaar misschien twee keer per jaar voor een terugblik en een vooruitblik. Verder was de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) als toezichthouder een belangrijke speler’, zegt Wagenaar. ‘Nu zijn er veel verschillende stakeholders, die allemaal hun eigen eisen stellen op inhoud en verantwoording. Het werkveld is enorm veranderd.’ Wagenaar, tegenwoordig interim programmasecretaris bij de Hogeschool Rotterdam, heeft jarenlang ervaring als secretaris in de zorgsector. Ze werkte in de open, gesloten en forensische jeugdzorg en in de gehandicaptenzorg. Zo werkte ze onder meer ruim elf jaar bij Ons Tweede Thuis, een instelling voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, en was ze interim bestuurssecretaris bij de Hersenstichting. Ze is nog steeds secretaris bij verschillende klachtencommissies in de zorg, namelijk bij iHub, Zorgstem en Jeugdstem.

Jeugdwet en WMO

Wagenaar heeft de veranderingen in de jeugdzorg van dichtbij meegemaakt. Sinds 2015 heeft de rijksoverheid de regie en verantwoordelijkheid voor veel zorgtaken bij de gemeenten neergelegd. Zo staat in de Jeugdwet, die in 2015 werd ingevoerd, dat jongeren tot 18 jaar en hun ouders als ze hulp nodig hebben naar de gemeente kunnen gaan. De gemeente is verantwoordelijk voor de toegang tot de jeugdhulp (bijvoorbeeld een Centrum Jeugd en Gezin), voor doorverwijzing naar specialistische jeugdhulp (bijvoorbeeld gespecialiseerde GGZ of intensieve gezinsbegeleiding) en de doorverwijzing naar jeugdbescherming en -reclassering. In 2015 ging ook de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) in. De WMO regelt dat gemeenten ondersteuning bieden aan inwoners die niet volledig zelfstandig kunnen wonen of niet kunnen meedoen aan de maatschappij. Het doel is ervoor zorgen dat mensen zo lang mogelijk veilig thuis kunnen blijven wonen. Gemeenten zijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor dagbesteding, hulp in de huishouding, ondersteuning van mantelzorgers en eventueel woningaanpassingen, zoals een traplift. De WMO geldt voor inwoners van 18 jaar en ouder. Op inwoners onder de 18 is de Jeugdwet van toepassing. ‘De overgang van de Jeugdwet naar de WMO kan problematisch zijn’, vindt Wagenaar. ‘Voor jongeren bestaan allerlei vormen van hulp en voorzieningen, maar zodra zij 18 jaar zijn valt het meeste weg.’

Meer partijen

‘De invoering van de Jeugdwet en de WMO hebben gezorgd voor kortere lijnen’, zegt Wagenaar. ‘Dat is fijn. De gemeente kent de doelgroep en zit dichter op de praktijk. Gemeenten zijn betrokken bij hun inwoners. Maar tegelijkertijd zit er ook een duidelijke financiële taakstelling bij het uitvoeren van deze overheidstaken. Ondertussen blijft de vraag naar jeugdhulp groeien waardoor de druk op de gemeentelijke budgetten toeneemt. Er is minder geld en de doelgroep wordt groter.’ Wagenaar heeft de indruk dat mensen met problemen eerder om hulp vragen dan vroeger. Ook is er meer sprake van vroege signalering en meer doorverwijzingen van professionals. Bovendien worden er vaker diagnoses gesteld als ADHD of dyslexie. Tegelijkertijd is de samenleving complexer geworden, waardoor het voor veel mensen moeilijker is om mee te doen. Toenemende digitalisering zorgt ervoor dat meer mensen buiten de boot vallen. Ook zijn mensen kritischer en mondiger dan vroeger en eisen ze vaak meer. Inmiddels zijn er naast de bestaande organisaties tal van bureaus die zorg aanbieden. Die bureaus hebben niet allemaal dezelfde kwaliteit. ‘Soms wordt er niet geleverd, of is het tarief te hoog. Dat is lastig voor gemeenten, dus zij komen dan met strengere criteria of willen nog meer rapportages zien.’ Gemeenten hebben hun eigen beleidsvrijheid, waardoor er verschil is in de manier waarop gemeenten de WMO en de Jeugdzorg uitvoeren. Zorginstellingen hebben met individuele gemeenten te maken, maar ook met samenwerkingsverbanden van gemeenten en met tientallen zorgkantoren en zorgverzekeraars, waarmee ze allemaal verschillende contracten hebben. ‘In mijn begintijd bij Ons Tweede Thuis, een gehandicaptenorganisatie, hadden we één hoofdcontract voor de Algemene Wet Bijzondere Zorg (de AWBZ, die in 2015 is overgegaan in de Wet Langdurige Zorg -WLZ). Nu zijn er allemaal verschillende geldstromen. Tegenwoordig hebben de meeste organisaties een hele afdeling zorgverkoop met medewerkers die de hele dag bezig zijn met het afsluiten en beheren van zorgcontracten.’ Al deze veranderingen hebben ertoe geleid dat de gespreksonderwerpen in de bestuurskamer veranderd zijn.

Misstanden

Soms komen ernstige misstanden in de jeugdzorg naar buiten. Verschillende zaken hebben de afgelopen jaren de media gehaald. ‘De misstanden gaan mij echt aan het hart’, zegt Wagenaar. ‘Je leest ook dat daardoor juist minder mensen zich aanmelden als pleegouder. Dat is heel jammer, want in een gezin zijn kinderen doorgaans het beste af. In een residentiële groep (een vorm van hulpverlening waarbij kinderen of jongeren tijdelijk of langdurig buiten hun eigen gezin wonen, meestal een jeugdzorginstelling) leren jongeren dingen van elkaar die niet helpend zijn en ook het leefklimaat is niet altijd positief.’ Als secretaris van klachtencommissies in de jeugdzorg krijgt ze soms onaardige mails. ‘Mails die niet altijd voor onze klachtencommissie bestemd zijn. Maar daaraan zie je wel hoe de misstanden leven onder mensen.’ Ook gemeenten trekken het zich erg aan als er dingen fout gaan. ‘Gemeenten zijn verantwoordelijk, dus zij willen goed op de hoogte zijn.’ Dat betekent dat er meer gemeld en gerapporteerd moet worden. Daar waren al procedures voor, bijvoorbeeld voor het melden van incidenten bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Sinds de invoering van de Jeugdwet en de WMO willen sommige gemeenten ook direct een melding als zich iets voordoet dat in de media zou kunnen komen. ‘Relaties met stakeholders zijn zo belangrijk geworden.  Vroeger was je daar als bestuurssecretaris niet mee bezig, maar nu is het big business. Er zijn dan ook accountmanagers in zorginstellingen.’

Sensitiever

De ontwikkelingen in de zorg hebben geleid tot extra werk voor bestuurssecretarissen. ‘Er zijn organisaties waar vroeger één bestuurssecretaris werkte en nu vier. Het pakket is veel breder geworden’ zegt Wagenaar. Zij denkt dat het werk ook ingewikkelder geworden is. ‘Vroeger was het misschien meer recht toe recht aan. Nu moet je als bestuurssecretaris nog sensitiever zijn. Je moet oog hebben voor de complexe omgeving, je moet tussen de regels door kunnen lezen, een antenne hebben voor zaken die tot reputatieschade kunnen leiden, oog hebben voor de belangen van de stakeholders en de belangen van je eigen organisatie en de cliënten goed in de gaten houden. Het is allemaal meer fluïde.’ Ze voegt eraan toe: ‘Dat maakt het werk wel veel leuker. Je bent echt een spin in het web.’ Volgens haar is het belangrijk dat je als bestuurssecretaris snapt hoe een organisatie werkt en dat je in staat bent tot “dienstverlenend leiderschap”. ‘Anderen geven de richting aan, maar je hebt daar wel een rol in. Op de weg daarnaartoe ondersteun en ontzorg je hen. En als het besluit eenmaal genomen is, moet het ook weer terug de organisatie in om uitgevoerd te worden.’

Iets nieuws

Nadat Wagenaar meer dan elf jaar bij Ons Tweede Thuis had gewerkt, wilde ze iets anders. ‘Maar ik vond het werk zo leuk dat het nog lastig was om iets te vinden dat leuker was.’ Daarom nam ze ontslag en gaf ze zichzelf een sabbatical van vier maanden. Op LinkedIn gaf ze aan dat ze iets nieuws zocht. ‘Daar kwamen reacties op. Ik kon goed merken dat de functie van bestuurssecretaris in opkomst is.’ Zo kwam ze als interimmer bij de Hersenstichting terecht en daarna als interimmer bij Vereniging Milieudefensie. Inmiddels werkt ze bij de Hogeschool Rotterdam – ook een tijdelijke opdracht – en werkt ze nog als secretaris bij drie klachtencommissies in de zorg. Zijn de verschillen groot? Dat valt relatief mee, vindt ze. ‘De besluitvormingsprocessen vormen de kern van het werk. Dat is in elke organisatie eigenlijk hetzelfde.’ Wat wordt de volgende stap? ‘Het liefst een uitvoeringsorganisatie waar je weet voor wie je werkt en je samen betekenis kunt geven. Dat je voelt: ik doe het voor deze groep of voor deze jongeren. Dat nabije vind ik belangrijk.’

DELEN IS VERMENIGVULDIGEN

GERELATEERDE KENNISBRONNEN