Van oude mensen, de dingen die nooit voorbijgaan

08.02.2019

Aux grands hommes la patrie reconnaissante

2005

Tree voor tree dalen we af. Korinthische zuilen maken plaats voor dikke stenen muren. Bij iedere meter die we dalen, daalt de temperatuur met ons mee. Het wordt al donkerder. De geur meer bedompt. Uiteindelijk verstomt het geklets. Mijn benen worden zwaarder. Wat staat ons daar beneden te wachten? De eerste tombes zorgen voor grote ogen.

2019

Het is één van mijn lievelingsplekken in Parijs: het Panthéon. Zelf ontsnapte ik er als 18-jarige au pair aan de drukte van de stad. In de jaren die volgden verdiepte ik me in de verhalen en discussies rondom dit magische gebouw. Ik las over de belofte van Lodewijk XV dat als hij zou herstellen van een ernstige jichtaanval, hij Parijs een nieuwe kerk zou schenken. Over hoe Napoleon het kruis op het dak gebruikte als nulpunt om geografische afstanden aan te geven aan het Franse leger. Over hoe de kerk na de Franse Revolutie de functie van mausoleum kreeg, als een soort ultieme tempel ter ere van het land. En dan toont boven al die graven, al die grote namen, al die bewogen levens de slinger van Foucault onvermoeibaar aan dat de aarde om zijn as draait en de tijd onherroepelijk tikt. De shifting van wie er onder dit zinnebeeld van eeuwig leven mag worden begraven houdt de gemoederen bij iedere overleden grootheid bezig. Deze plek barst uit zijn voegen van historie én symboliek. Het kostte toch nog enigszins wat overredingskracht, maar jaren later lukte het om het Panthéon op de lijst van de te bezoeken bezienswaardigheden te krijgen voor klas 4 gymnasium. En dus togen een collega-docent en ik ieder jaar met een verse groep naar de diepe krochten van de Franse geschiedenis. 

2005

We lopen langs de verschillende kamers: de crypten voor hoogwaardigheidsbekleders, de strijders voor gelijkheid, grote stemmen die bijdroegen tot de democratie, burgers die werden geëerd voor hun moed en geprezen wetenschappers. Allemaal belangrijk; toch lopen we door. Links, rechts, rechts. Voor de grote schrijvers en filosofen staan we ineens stil. Er is geen plek waar leven en dood zo verenigd blijven. In het eerste gedeelte liggen vele indrukwekkende tombes in rust gebroederlijk naast elkaar. Maar daarachter betreden we de arena van de Verlichtingdenkers Voltaire en Rousseau. Aartsvijanden bij leven, zowel in gedachtegoed als intermenselijk, staat Voltaire, vereeuwigd door een imposant beeld met hautaine uitdrukking, met de rug naar de houten, relatief eenvoudige kist van Rousseau gekeerd. Tot in lengte van dagen tot elkaar overgeleverd. Ieder jaar hopen we dat de leerlingen de spanning in de lucht kunnen voelen.

2019

Zelfs tien jaar geleden moest je als docent wel een beetje interactief te werk gaan, wilde je de leerlingen aan het denken zetten. We legden ze het vuur aan de schenen en lieten ze op stellingen partij kiezen. Na een aantal rondes, konden de leerlingen zich positioneren tussen het gedachtegoed van Voltaire en dat van Rousseau en barstten de discussies los. Dat ze in een (lege) schemerige, enigszins creepy crypte staan in de nabijheid van de overblijfselen van de grote denkers zelf, maakt dat ze hun keuzes met achting zorgvuldig afwegen. Is de mens van nature goed? Maakt de technologische vooruitgang de mens beter of slechter? Bedreigt vooruitgang van kunst, letteren en wetenschap de eigen moraal van de mens of is een meer ontwikkeld mens juist beter in staat ethische keuzes te maken? Werkt materiële vooruitgang oprechtheid in vriendschappen en relaties automatisch tegen of gebeurt dit alleen in situaties waarin de betrokkenen hier ruimte toe bieden? Doet het stadsleven de mens vervreemden van de natuur en daarmee van zichzelf of doen de mogelijkheden en uitdagingen van een stad de mens juist positief ontwikkelen? We vuurden de ene na de andere vraag op ze af en lieten hen na afloop hun gedachten vastleggen in een persoonlijk manifest. Een soort bewustwording vanuit 18e eeuws gedachtegoed en daarmee de levendigheid van geschiedenis en haar denkers aan den lijve ondervindend.

2019

Hoe zullen ze nu in het leven staan? Zullen ze idealen najagen die maatschappelijk zijn beïnvloed -of opgelegd-, of zoeken ze vanuit zichzelf welke weg ze willen bewandelen? Zullen ze geloven in de maakbaarheid van het leven à la Voltaire of aanvaarden ze met mededogen de werking van het Lot en de natuur, zoals Rousseau hen voorhield? Hun werd vaak verteld dat zij de leiders van morgen zouden zijn. (Of dat positief is om dit aan tieners te doen geloven is een tweede). Zouden ze zich ook voldoende hebben afgevraagd wát voor leiders ze willen worden of zijn? Aan welke maatschappelijke context zij bij willen dragen?

Toegegeven, zijn leven, zijn filosofische en literaire carrière wijzen op een getourmenteerd, door heftige gevoelens beheerst karakter, dat niet het minste begrip voor maatschappelijke conventies op kon brengen. Toch belette dat Rousseau niet om midden in het tijdperk van de Verlichting de vinger op wonden te leggen die tot op de dag van vandaag niet geheeld zijn – wonden die in een geglobaliseerde en vercommercialiseerde wereld misschien meer dan ooit schrijnen. Ook Voltaires gedachtegoed, dat zich kenmerkte door een vooruitstrevend humanisme, rationalisme en felle kritiek op onrecht en de kerk, had grote invloed op de filosofie in Europa en heeft ook nog steeds niet aan actualiteit ingeboet. Het is een merkwaardig verschijnsel dat men “beroemde denkers”, die in hun dagen niet geaccepteerd werden vanwege hun (toen) revolutionaire ideeën, later gaat zien als wegbereiders voor een hoopvoller toekomst.

Veel denkwerk is dus reeds voor ons gedaan, ver voor het bestaan van het internet. Ook voor secretarissen, acterend in een steeds complexere en veeleisender omgeving, zijn de filosofen een bron voor gefundeerd handelen. Wellicht kunnen zij opnieuw Verlichting brengen, nu het bedrijfsleven het versterken van integriteit (noodzakelijkerwijs) tot belangrijkste voorwaarde voor herstel van vertrouwen geïdentificeerd heeft. In tegenstelling tot vorige vertrouwenscrises en hersteloperaties worden oplossingen daarmee tegenwoordig niet alleen in hun structuur, zoals in het invoeren en bewaken van regels en procedures, maar ook in hun cultuur, zoals het bevorderen en naleven van leiderschap en kernwaarden, gezocht.¹

Integer gedrag laat zich nooit geheel vangen in regelgeving, richtlijnen, voorschriften of aanbevelingen, is daarmee geen éénduidig begrip en laat zich bovendien niet even “regelen” met een stappenplan of een training. Het komt in veel gevallen ook aan op eigen moraal: op basis van algemeen aanvaarde sociale en ethische normen neem je verantwoordelijkheid voor je eigen handelen, ben je aanspreekbaar op je gedrag en spreek je anderen hierop aan. Integriteit vergt een voortdurend ijken van eigen gedrag, het maken van bewuste en doordachte keuzes, het in kaart brengen van belangen en het maken van een gefundeerde afweging. Klinkt zwaar en dat is het ook. Toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales gaf in 1992 reeds aan dat een beetje integer niet bestaat en dientengevolge voert een secretaris (en ieder ander) die zich tot doel stelt integer te handelen een permanente strijd.

De wijze waarop we integriteit versterken wordt bepaald door het beeld dat we van de mens en van organisaties hebben. Als we geloven in de fundamentele goedheid van de mens (Rousseau) en denken dat bedrijven functioneren in een paradijs waar alles in overvloed is en het kwaad afwezig is, dan is integriteit een kwestie van gewoon doen. Maar bedrijven functioneren in markten waar schaarste heerst, waar concurrentie woedt, waar niet iedereen tevreden kan worden gesteld en waar nu eenmaal winnaars en verliezers zijn. Deze druk zorgt voor verleidingen om de korte termijn boven de lange termijn te stellen, financiële prestaties boven niet-financiële prestaties en opportunisme boven principes.¹ Er gaat geen dag voorbij dat we de gevolgen hiervan niet ondervinden.

Reeds in de 18e eeuw signaleerde Rousseau deze makke van de mens, maar weigerde zijn mensbeeld bij te stellen en zocht de oorzaak van dwalend gedrag in samenlevingsvorm en – voorschriften : “Het huidige economische systeem weerspiegelt enkel onze bezitterige, individualistische en egoïstische liefde dat ontstaat door ons monogame en patriarchale maatschappij-concept, dat compleet onmenselijk is!”². Rustig maar, ik ga niet in de geest van Rousseau pleiten voor een open huwelijk. Dat soort keuzes kan ik beter aan jou overlaten. Maar aan de nog steeds bestaande ketenen van een conventionele maatschappij neem ik iets meer aanstoot.

Alleen een vrij mens is tot integer handelen in staat; daar moeten we Rousseau toch gelijk in geven. De Fransen waren het in die tijd ook al met hem eens, gezien het feit dat zijn theorieën een belangrijke bijdrage leverden aan de Franse Grondwet van 1793. Al is de vrijheid waar Rousseau het over heeft aan de vooravond van de revolutie, uiteraard niet het concept van vrijheid dat wij ons nu in de 21e eeuw in ons hoofd halen. Volgens Rousseau raakt de mens zijn natuurlijke vrijheid kwijt aan conventionele machtsrelaties en kan enkel en alleen zelfbehoud nastreven door zijn krachten te verenigen met die van anderen en zijn individuele vrijheid in te ruilen voor de algemene wil.³ Op maatschappij-niveau heeft dit adagium in het Westen niet geleid tot een duurzame, harmonieuze samenlevingsvorm. Vertalend naar een organisatie kan het wellicht toch iets van richting geven en gebiedt het de secretaris dus om de behoeften van de organisatie te allen tijde voorop te stellen. Open deur, maar in de praktijk nog helemaal niet zo evident of gemakkelijk te realiseren. Het vergt, zoals eerder beschreven, een dappere strijd¹ van de overtuig(en)de secretaris en geduld van belanghebbenden. Bovendien is een juiste positionering van het vak binnen de organisatie essentieel en dient de secretaris zijn positie ten aanzien van zowel RvB als RvT/RvC scherp in de gaten te houden. Maar de secretaris moet bovenal ervoor waken in een ivoren toren terecht te komen: Rousseau pleit voor overzichtelijke ambities, die in verbinding staan met de werkvloer en oog houden voor de menselijke maat.?

Rousseau’s visie was een slag in het gezicht van al diegenen die in de opkomst van de wetenschappen in de 18e eeuw de aankondiging van een rechtvaardiger maatschappij zagen. Zijn “Wetenschap, literatuur en kunst spreiden bloemenguirlandes over de ijzeren ketens die de mensen teneerdrukken”², deed Voltaire in razernij ontsteken.? Volgens hem zou de vooruitgang de mensen juist beter inzicht geven en daarmee vooroordelen en fanatisme op de achtergrond doen raken.? In tegenstelling tot Rousseau zag Voltaire een maatschappij gefundeerd op wetenschappelijke en technische vooruitgang als basis voor de kritisch denkende burger. Cultivering zou voortkomen uit een hevige humanistische strijd om de onwetendheid uit te roeien, met steeds een ironische glimlach op het gezicht.? Dat de mens daar zelf ook een actieve rol in diende te spelen, werd duidelijk in zijn werk Candide ou l’Optimisme, waarin de kern van zijn gedachtegoed werd verwoord door het devies dat wij mensen “ons eigen tuintje moeten cultiveren”. Of de gemiddelde Fransman zijn stukje grond netjes bijhield, interesseerde Voltaire de rozen: hij bedoelde hiermee dat het individu niet standaard instanties of denkbeelden van kerk en overheid moet navolgen, maar zijn/haar eigen gezonde verstand moet gebruiken.?

Voltaire was buitengewoon moedig in zijn aanval op de gevestigde orde. Wat hem dreef was een grenzeloos vertrouwen in de menselijke natuur en vertrouwen in diens capaciteit om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Daar waar Rousseau de maatschappelijke buitenwereld als onoverbrugbaar belemmerend voor de mens ervoer, was Voltaire zich bewust van een blokkade ín de mens. Hij stelde duidelijk dat het menselijk denken beperkt is. Dat besef, vond Voltaire, móest wel leiden tot tolerantie. “We weten geen antwoord op de grote levensvragen: wie we zijn, wat de zin van het leven is en we weten niets over God. We moeten ons niet in de schepper verdiepen, maar in de schepping”.? Kortom: vanuit een gedegen kennisvergaring en – deling werken met wat er is en accepteren dat we niet alles kunnen bevatten of beïnvloeden.

De brug naar de actuele praktijk wordt op een mooie manier geslagen door de heer prof. dr. M. Kaptein, hoogleraar bedrijfsethiek aan de RSM Erasmus Universiteit, uit wiens werk ik eerder reeds dankbaar citeerde: “Door integriteit als strijd te zien ontstaat er binnen en buiten bedrijven ruimte om open te zijn over de eigen gebreken, twijfels en dilemma’s. Strijd is niet iets om zich over te schamen, maar laat juist zien dat men integriteit serieus neemt. Dit betekent dat er binnen bedrijven ruimte moet zijn om dilemma’s te bespreken evenals kwalijke neigingen, onzekerheden en angsten. Richting de buitenwereld betekent dit dat bedrijven kenbaar maken wat hun ethische dilemma’s zijn en hoe zij hiermee worstelen. Gelukkig communiceren verschillende bedrijven dit al in hun jaarverslag en in gesprekken met “stakeholders”.”¹

Ik onderschat de uitwerking van bovenstaande niet. Ik roep namens de heren filosofen dan ook uit: “Il faut cultiver sa jungle!”, al zou Rousseau dit met zijn hang naar de natuur wellicht letterlijk nemen en zou Voltaire begrijpen dat de steeds complexer wordende maatschappij de tuintjes heeft doen overwoekeren tot een compleet oerwoud en zijn oproep om onafhankelijk te denken er allesbehalve gemakkelijker op heeft gemaakt. Het zal behoorlijk wat doorzettingsvermogen kosten om ons door het oerwoud te loodsen. Maar als de intentie om roer en rug recht te houden er oprecht is, werken we in ieder geval toe naar de dag dat de meest boeiende lijken die nog uit de kast komen die van het Panthéon zijn. 

Reacties (0)

This thread has been closed from taking new comments.